Quick start: how to read entries
Each verb entry lists: present (ik / jij-je / hij-zij / wij), past (sg/pl), participle (+ auxiliary), and one mini-example.
Present tense (V2 & -t rules)
- ik: stem = infinitive − en → werk, loop, lees
- jij/je, hij/zij/het: stem + -t → jij werkt, hij leest
- wij/jullie/zij + u (often): infinitive → wij werken; u werkt
- Inversion with jij/je (verb first): no -t → Werk jij?, Heb je? (with u, keep -t: Loopt u?)
Spelling: keep vowel length: leven → leef, leeft; double consonant after short vowel: rennen → ren, rent (past: rende).
Past tense: weak vs strong (’t kofschip)
Weak verbs: stem ends in voiceless (t, k, f, s, ch, p) → -te/-ten & participle -t. Otherwise → -de/-den & -d.
Perfect: participles & hebben/zijn
- Regular participle: ge- + stem + -d/-t — gewerkt, geleefd
- Strong: ge- + stem (vowel change) + -en — gelopen, geschreven
- Separable: prefix + ge- + stem — opgestaan
- Inseparable (be-, ge-, ver-, her-, ont-, er-, mis-): no ge- — begrepen, verkocht, bezocht
- Auxiliary: mostly hebben; use zijn with movement/change-of-state & some intransitives: gaan, komen, worden, blijven, vertrekken.
Separable vs inseparable prefixes
Common separable prefixes: aan-, af-, op-, uit-, mee-, door-, tegen-, terug-, vast-, weg-.
Modals & core auxiliaries (present)
Master list (top verbs with key forms)
gaan — to go
prs: ik ga, jij gaat/ga je, hij gaat, wij gaan
pst: ging/gingen
pp: gegaan (zijn)
We zijn vroeg gegaan.
komen — to come
prs: ik kom, jij komt/kom je, hij komt, wij komen
pst: kwam/kwamen
pp: gekomen (zijn)
Hij is net gekomen.
blijven — to stay
prs: ik blijf, jij blijft, hij blijft, wij blijven
pst: bleef/bleven
pp: gebleven (zijn)
We zijn thuis gebleven.
worden — to become
prs: ik word, jij wordt/word je, hij wordt, wij worden
pst: werd/werden
pp: geworden (zijn)
Het wordt koud.
doen — to do
prs: ik doe, jij doet/doe je, hij doet, wij doen
pst: deed/deden
pp: gedaan (hebben)
Wat doe je?
zien — to see
prs: ik zie, jij ziet/zie je, hij ziet, wij zien
pst: zag/zagen
pp: gezien (hebben)
Ik heb je niet gezien.
geven — to give
prs: ik geef, jij geeft, hij geeft, wij geven
pst: gaf/gaven
pp: gegeven (hebben)
Ze heeft mij een boek gegeven.
nemen — to take
prs: ik neem, jij neemt, hij neemt, wij nemen
pst: nam/namen
pp: genomen (hebben)
Neem je een taxi?
denken — to think
prs: ik denk, jij denkt, hij denkt, wij denken
pst: dacht/dachten
pp: gedacht (hebben)
Ik dacht dat je kwam.
spreken — to speak
prs: ik spreek, jij spreekt, hij spreekt, wij spreken
pst: sprak/spraken
pp: gesproken (hebben)
We hebben Nederlands gesproken.
eten — to eat
prs: ik eet, jij eet, hij eet, wij eten
pst: at/aten
pp: gegeten (hebben)
Ik heb al gegeten.
drinken — to drink
prs: ik drink, jij drinkt, hij drinkt, wij drinken
pst: dronk/dronken
pp: gedronken (hebben)
We dronken koffie.
kopen — to buy
prs: ik koop, jij koopt, hij koopt, wij kopen
pst: kocht/kochten
pp: gekocht (hebben)
Ze heeft een jas gekocht.
werken — to work
prs: ik werk, jij werkt, hij werkt, wij werken
pst: werkte/werkten
pp: gewerkt (hebben)
Ik werk thuis.
wonen — to live (reside)
prs: ik woon, jij woont, hij woont, wij wonen
pst: woonde/woonden
pp: gewoond (hebben)
Wij wonen in Utrecht.
leren — to learn/teach
prs: ik leer, jij leert, hij leert, wij leren
pst: leerde/leerden
pp: geleerd (hebben)
Ze leert Nederlands.
rijden — to drive/ride
prs: ik rijd, jij rijdt, hij rijdt, wij rijden
pst: reed/reden
pp: gereden (hebben/zijn)
We zijn naar Gent gereden.
schrijven — to write
prs: ik schrijf, jij schrijft, hij schrijft, wij schrijven
pst: schreef/schreven
pp: geschreven (hebben)
Hij heeft een brief geschreven.
lezen — to read
prs: ik lees, jij leest, hij leest, wij lezen
pst: las/lazen
pp: gelezen (hebben)
Ik heb het artikel gelezen.
staan — to stand
prs: ik sta, jij staat/sta je, hij staat, wij staan
pst: stond/stonden
pp: gestaan (hebben)
Er staat een tafel hier.
zitten — to sit
prs: ik zit, jij zit, hij zit, wij zitten
pst: zat/zaten
pp: gezeten (hebben)
We hebben lang gezeten.
liggen — to lie (be located)
prs: ik lig, jij ligt, hij ligt, wij liggen
pst: lag/lagen
pp: gelegen (hebben)
Het boek ligt op tafel.
opstaan — to get up (sep.)
prs: ik sta op, jij staat op, hij staat op, wij staan op
pst: stond/stonden op
pp: opgestaan (zijn)
Ik ben vroeg opgestaan.
begrijpen — to understand (inseparable)
prs: ik begrijp, jij begrijpt, hij begrijpt, wij begrijpen
pst: begreep/begrepen
pp: begrepen (hebben)
Begrijp je het?
Show more common weak verbs
maken
ik maak, jij maakt • maakte/maakten • gemaakt (hebben)
spelen
ik speel, jij speelt • speelde/speelden • gespeeld (hebben)
kijken
ik kijk, jij kijkt • keek/keken • gekeken (hebben)
vertrekken
ik vertrek, jij vertrekt • vertrok/vertrokken • vertrokken (zijn)
halen
ik haal, jij haalt • haalde/haalden • gehaald (hebben)
bellen
ik bel, jij belt • belde/belden • gebeld (hebben)
zoeken
ik zoek, jij zoekt • zocht/zochten • gezocht (hebben)
winnen
ik win, jij wint • won/wonnen • gewonnen (hebben)
Word order & inversion you’ll actually use
- Main clause (V2): the finite verb is in position 2 — Vandaag werk ik thuis.
- Yes/no question: verb first — Werk je thuis?
- Subclause: verb-final — … omdat ik thuis werk.
- Inversion -t drop: Heb je…? Spreek je…? but with u: Heeft u…? Loopt u…?
Practice & micro-drills
A) Present endings
- (werken) — ik _____, jij _____, hij _____, wij _____
Show answers
werk, werkt, werkt, werken (and Werk jij? no -t)
B) ’t kofschip
Pick -te/-de: (reizen) → reisde; (passen) → paste.
C) Participles
Make the pp: begrijpen → begrepen; opstaan → opgestaan.
D) Hebben or zijn?
We _____ (gaan) naar huis. → zijn gegaan. • Ik _____ (werken) veel. → heb gewerkt.
E) Conjugate fast (spreken)
ik spreek, jij spreekt, hij spreekt, wij spreken; sprak/spraken; gesproken (hebben).
FAQ
Drop -t after jij/je — always?
Only in inversion (verb first): Heb je…? In normal order keep -t: Je hebt…. With u, keep -t even in inversion: Heeft u…?
Past of “worden” and perfect?
werd/werden, participle geworden. As a full verb it takes zijn in the perfect: Hij is leraar geworden.
“ik hou” vs “ik houd”?
Both are correct. ik hou is common in speech; ik houd is the full/standard form.
Separable perfect position of ge-?
Between prefix and stem: meenemen → meegenomen, uitgaan → uitgegaan.
Common zijn verbs?
gaan, komen, blijven, worden, vertrekken, aankomen, sterven. Some verbs can use both depending on meaning (lopen, rijden, vliegen, fietsen).