Dutch Verb Conjugation Master List (A1–B2)

Level: A1–B2 • Estimated reading: 15–25 min •

Present endings (-t rules), past with ’t kofschip, perfect participles (ge-), hebben vs zijn, separable vs inseparable, modals, irregulars — plus a practical master list with glosses and examples.

Quick start: how to read entries

Each verb entry lists: present (ik / jij-je / hij-zij / wij), past (sg/pl), participle (+ auxiliary), and one mini-example.

lopen — ik loop, jij loopt, hij loopt, wij lopenliep / liepengelopen (hebben/zijn) — We liepen naar huis.

Present tense (V2 & -t rules)

  • ik: stem = infinitive − enwerk, loop, lees
  • jij/je, hij/zij/het: stem + -tjij werkt, hij leest
  • wij/jullie/zij + u (often): infinitive → wij werken; u werkt
  • Inversion with jij/je (verb first): no -tWerk jij?, Heb je? (with u, keep -t: Loopt u?)

Spelling: keep vowel length: leven → leef, leeft; double consonant after short vowel: rennen → ren, rent (past: rende).

Past tense: weak vs strong (’t kofschip)

Weak verbs: stem ends in voiceless (t, k, f, s, ch, p) → -te/-ten & participle -t. Otherwise → -de/-den & -d.

Weak (voiceless)
werken → werkte/werkten → gewerkt; passen → paste/pasten → gepast
Weak (voiced)
leven → leefde/ leefden → geleefd; reizen → reisde/ reisden → gereisd
Strong (vowel change)
vinden → vond/ vonden → gevonden; zien → zag/ zagen → gezien

Perfect: participles & hebben/zijn

  • Regular participle: ge- + stem + -d/-tgewerkt, geleefd
  • Strong: ge- + stem (vowel change) + -engelopen, geschreven
  • Separable: prefix + ge- + stem — opgestaan
  • Inseparable (be-, ge-, ver-, her-, ont-, er-, mis-): no ge-begrepen, verkocht, bezocht
  • Auxiliary: mostly hebben; use zijn with movement/change-of-state & some intransitives: gaan, komen, worden, blijven, vertrekken.
We zijn vroeg gekomen. / Ik heb het boek gelezen.

Separable vs inseparable prefixes

Separable (split in main clause)
opstaan → ik sta op; perf.: op+ge+staanopgestaan
Inseparable (never split)
bezoeken → ik bezoek; perf.: bezocht (no ge-)

Common separable prefixes: aan-, af-, op-, uit-, mee-, door-, tegen-, terug-, vast-, weg-.

Modals & core auxiliaries (present)

hebben
ik heb, jij hebt/heb je, hij heeft, wij hebben — pt: had/hadden — pp: gehad (hebben)
zijn
ik ben, jij bent/ben je, hij is, wij zijn — pt: was/waren — pp: geweest (zijn)
kunnen
ik kan, jij kan/kunt, hij kan, wij kunnen — pt: kon/ konden — pp: gekund (hebben)
moeten
ik moet, jij moet, hij moet, wij moeten — pt: moest/ moesten — pp: gemoeten (hebben)
mogen
ik mag, jij mag, hij mag, wij mogen — pt: mocht/ mochten — pp: gemogen (hebben)
willen
ik wil, jij wil/wilt, hij wil, wij willen — pt: wilde/wou • wilden — pp: gewild (hebben)
zullen
ik zal, jij zult/zal, hij zal, wij zullen — pt: zou/ zouden — (no participle in use)
Zal ik bellen?We zouden gaan als we tijd hadden.

Master list (top verbs with key forms)

gaan — to go

prs: ik ga, jij gaat/ga je, hij gaat, wij gaan

pst: ging/gingen

pp: gegaan (zijn)

We zijn vroeg gegaan.

komen — to come

prs: ik kom, jij komt/kom je, hij komt, wij komen

pst: kwam/kwamen

pp: gekomen (zijn)

Hij is net gekomen.

blijven — to stay

prs: ik blijf, jij blijft, hij blijft, wij blijven

pst: bleef/bleven

pp: gebleven (zijn)

We zijn thuis gebleven.

worden — to become

prs: ik word, jij wordt/word je, hij wordt, wij worden

pst: werd/werden

pp: geworden (zijn)

Het wordt koud.

doen — to do

prs: ik doe, jij doet/doe je, hij doet, wij doen

pst: deed/deden

pp: gedaan (hebben)

Wat doe je?

zien — to see

prs: ik zie, jij ziet/zie je, hij ziet, wij zien

pst: zag/zagen

pp: gezien (hebben)

Ik heb je niet gezien.

geven — to give

prs: ik geef, jij geeft, hij geeft, wij geven

pst: gaf/gaven

pp: gegeven (hebben)

Ze heeft mij een boek gegeven.

nemen — to take

prs: ik neem, jij neemt, hij neemt, wij nemen

pst: nam/namen

pp: genomen (hebben)

Neem je een taxi?

denken — to think

prs: ik denk, jij denkt, hij denkt, wij denken

pst: dacht/dachten

pp: gedacht (hebben)

Ik dacht dat je kwam.

spreken — to speak

prs: ik spreek, jij spreekt, hij spreekt, wij spreken

pst: sprak/spraken

pp: gesproken (hebben)

We hebben Nederlands gesproken.

eten — to eat

prs: ik eet, jij eet, hij eet, wij eten

pst: at/aten

pp: gegeten (hebben)

Ik heb al gegeten.

drinken — to drink

prs: ik drink, jij drinkt, hij drinkt, wij drinken

pst: dronk/dronken

pp: gedronken (hebben)

We dronken koffie.

kopen — to buy

prs: ik koop, jij koopt, hij koopt, wij kopen

pst: kocht/kochten

pp: gekocht (hebben)

Ze heeft een jas gekocht.

werken — to work

prs: ik werk, jij werkt, hij werkt, wij werken

pst: werkte/werkten

pp: gewerkt (hebben)

Ik werk thuis.

wonen — to live (reside)

prs: ik woon, jij woont, hij woont, wij wonen

pst: woonde/woonden

pp: gewoond (hebben)

Wij wonen in Utrecht.

leren — to learn/teach

prs: ik leer, jij leert, hij leert, wij leren

pst: leerde/leerden

pp: geleerd (hebben)

Ze leert Nederlands.

rijden — to drive/ride

prs: ik rijd, jij rijdt, hij rijdt, wij rijden

pst: reed/reden

pp: gereden (hebben/zijn)

We zijn naar Gent gereden.

schrijven — to write

prs: ik schrijf, jij schrijft, hij schrijft, wij schrijven

pst: schreef/schreven

pp: geschreven (hebben)

Hij heeft een brief geschreven.

lezen — to read

prs: ik lees, jij leest, hij leest, wij lezen

pst: las/lazen

pp: gelezen (hebben)

Ik heb het artikel gelezen.

staan — to stand

prs: ik sta, jij staat/sta je, hij staat, wij staan

pst: stond/stonden

pp: gestaan (hebben)

Er staat een tafel hier.

zitten — to sit

prs: ik zit, jij zit, hij zit, wij zitten

pst: zat/zaten

pp: gezeten (hebben)

We hebben lang gezeten.

liggen — to lie (be located)

prs: ik lig, jij ligt, hij ligt, wij liggen

pst: lag/lagen

pp: gelegen (hebben)

Het boek ligt op tafel.

opstaan — to get up (sep.)

prs: ik sta op, jij staat op, hij staat op, wij staan op

pst: stond/stonden op

pp: opgestaan (zijn)

Ik ben vroeg opgestaan.

begrijpen — to understand (inseparable)

prs: ik begrijp, jij begrijpt, hij begrijpt, wij begrijpen

pst: begreep/begrepen

pp: begrepen (hebben)

Begrijp je het?

Show more common weak verbs

maken

ik maak, jij maakt • maakte/maakten • gemaakt (hebben)

spelen

ik speel, jij speelt • speelde/speelden • gespeeld (hebben)

kijken

ik kijk, jij kijkt • keek/keken • gekeken (hebben)

vertrekken

ik vertrek, jij vertrekt • vertrok/vertrokken • vertrokken (zijn)

halen

ik haal, jij haalt • haalde/haalden • gehaald (hebben)

bellen

ik bel, jij belt • belde/belden • gebeld (hebben)

zoeken

ik zoek, jij zoekt • zocht/zochten • gezocht (hebben)

winnen

ik win, jij wint • won/wonnen • gewonnen (hebben)

Word order & inversion you’ll actually use

  • Main clause (V2): the finite verb is in position 2 — Vandaag werk ik thuis.
  • Yes/no question: verb first — Werk je thuis?
  • Subclause: verb-final — … omdat ik thuis werk.
  • Inversion -t drop: Heb je…? Spreek je…? but with u: Heeft u…? Loopt u…?
Als het regent, blijven we thuis. / We blijven thuis als het regent.

Practice & micro-drills

A) Present endings

  • (werken) — ik _____, jij _____, hij _____, wij _____
Show answers

werk, werkt, werkt, werken (and Werk jij? no -t)

B) ’t kofschip

Pick -te/-de: (reizen)reisde; (passen)paste.

C) Participles

Make the pp: begrijpenbegrepen; opstaanopgestaan.

D) Hebben or zijn?

We _____ (gaan) naar huis.zijn gegaan. • Ik _____ (werken) veel.heb gewerkt.

E) Conjugate fast (spreken)

ik spreek, jij spreekt, hij spreekt, wij spreken; sprak/spraken; gesproken (hebben).

FAQ

Drop -t after jij/je — always?

Only in inversion (verb first): Heb je…? In normal order keep -t: Je hebt…. With u, keep -t even in inversion: Heeft u…?

Past of “worden” and perfect?

werd/werden, participle geworden. As a full verb it takes zijn in the perfect: Hij is leraar geworden.

“ik hou” vs “ik houd”?

Both are correct. ik hou is common in speech; ik houd is the full/standard form.

Separable perfect position of ge-?

Between prefix and stem: meenemen → meegenomen, uitgaan → uitgegaan.

Common zijn verbs?

gaan, komen, blijven, worden, vertrekken, aankomen, sterven. Some verbs can use both depending on meaning (lopen, rijden, vliegen, fietsen).

More Dutch lessons