Dutch Present Tense (OTT)

Level: A1–B1 • Estimated study: 20–35 min •

Form the stem, add the right endings, avoid the classic -dt traps, and handle jij inversion like a pro—plus the key irregulars.

Overview: present tense at a glance

Stem
Take the infinitive, remove -en, fix spelling:
werken → werk, maken → maak, leven → leef, reizen → reis, zetten → zet.
Endings
ik = stem · jij/je, hij/zij/het, u = stem + t · wij/jullie/zij = infinitive (-en).
Inversion
If the verb comes before jij/je, drop -t: Werk jij hier? Keep -t with u: Werkt u hier?

How to build the stem (spelling rules)

Rule
Example
Remove -en
werken → werk, praten → prat → keep long vowel: praat
Keep long vowel (double it)
maken → maak, lezen → lees, leren → leer
Drop double consonant
zetten → zet, rennen → ren
Final v/z → f/s
leven → leef, reizen → reis
Stem ending in -d
vinden → vind, worden → word
Ik maak koffie, jij maakt thee, maken wij een cake?

Endings & the jij-inversion rule

Regular verb: werken

Person
Form
ik
werk
jij/je
werkt · Inversion: werk jij?
u
werkt · Inversion: werkt u?
hij/zij/het
werkt
wij/jullie/zij
werken

Regular with long vowel: praten

ik
praat
jij/je
praat · Inversion: praat jij?
hij/zij
praat
wij/jullie/zij
praten
V2 word order: In main clauses, the finite verb is in position 2: Morgen werk ik thuis. In yes/no questions, verb first: Werk jij thuis?

-d/-t and the famous -dt

If the stem ends in -d, add -t for 2nd/3rd singular → -dt. In inversion with jij/je, use the bare stem.

vinden → vind
ik vind
jij/hij vindt
Inversion: vind jij?
worden → word
ik word
jij/hij wordt
Inversion: word jij?
Common mistakes: ✗ vindt jij? (should be vind jij?) · ✗ ik vindt (should be ik vind).

Common irregulars

zijn
ik ben · jij/je bent · u bent
hij/zij is
wij/jullie/zij zijn
hebben
ik heb · jij/je hebt (heb je?) · u heeft/hebt
hij/zij heeft
wij/jullie/zij hebben
gaan
ik ga · jij/je gaat · hij gaat · wij gaan
doen
ik doe · jij/je doet · hij doet · wij doen
zien
ik zie · jij/je ziet · hij ziet · wij zien
komen
ik kom · jij/je komt · hij komt · wij komen

Modals (irregular in sg.)

Verb
ik • jij/je • hij/zij • wij
kunnen
kankunt/kankankunnen
mogen
magmagmagmogen
moeten
moetmoetmoetmoeten
willen
wilwil/wiltwilwillen
zullen
zalzal/zultzalzullen
Regionally you’ll hear je kan / u kan. Standard uses kunt with jij/u.

When to use the present + progressives

  • Habits & facts: Ik lees elke dag. — I read every day.
  • Scheduled future: De trein vertrekt om 8 uur.
  • Near future with gaan: Ik ga koken. — I’m going to cook.
  • Ongoing action: Ik ben aan het koken. / Ik ben bezig met (het) koken.
Wat doe jij? — What are you doing?
Ik ben aan het studeren. — I’m studying.

Practice

A) Conjugate in the present

  1. (werken) Wij ______ in Rotterdam.
  2. (praten) Hij ______ snel.
  3. (vinden) Jij ______ het leuk.
  4. (doen) Wat ______ je?
  5. (worden) Zij ______ zenuwachtig.
Show answers

werken, praat, vindt, doe, wordt

B) Make a question (inversion)

  1. Jij werkt hier. → ______?
  2. Je vindt dat goed. → ______?
  3. U komt morgen. → ______?
Show answers

Werk jij hier? · Vind je dat goed? · Komt u morgen?

C) Fix the mistake

  1. Ik woont in Utrecht.
  2. Vindt jij dat?
  3. Ben jij aan het kooken?
Show answers

Ik woon in Utrecht. · Vind jij dat? · Ben jij aan het koken?

FAQ

Why is it werk jij but werkt u?

The -t is dropped with jij/je after the verb (inversion). With u the -t stays: Werkt u hier?

What about houden?

Two stems occur: houd/hou. Common forms: ik houd/hou, jij houdt, wij houden. In inversion: houd jij?/hou jij?

Do I always need aan het for “I’m -ing”?

No. Simple present is fine when context is clear, but aan het highlights ongoing action: Ik schrijf vs Ik ben aan het schrijven.

More Dutch lessons