100 sentences

Daily Activities (1-20)

  1. Ik woon in Nederland. (I live in the Netherlands.)
  2. Ik werk in een kantoor. (I work in an office.)
  3. Ik eet brood. (I eat bread.)
  4. Ik drink water. (I drink water.)
  5. Ik ga naar school. (I go to school.)
  6. Ik lees een boek. (I read a book.)
  7. Ik schrijf een brief. (I write a letter.)
  8. Ik luister naar muziek. (I listen to music.)
  9. Ik kijk naar de televisie. (I watch TV.)
  10. Ik slaap acht uur. (I sleep eight hours.)
  11. Ik fiets naar het park. (I cycle to the park.)
  12. Ik koop een appel. (I buy an apple.)
  13. Ik kook eten. (I cook food.)
  14. Ik maak mijn bed. (I make my bed.)
  15. Ik was mijn handen. (I wash my hands.)
  16. Ik ren in het park. (I run in the park.)
  17. Ik zwem in het zwembad. (I swim in the pool.)
  18. Ik praat met mijn vriend. (I talk with my friend.)
  19. Ik help mijn moeder. (I help my mother.)
  20. Ik leer Nederlands. (I learn Dutch.)

Hobbies & Free Time (21-40)

  1. Ik speel voetbal. (I play football.)
  2. Ik zing een lied. (I sing a song.)
  3. Ik dans op muziek. (I dance to music.)
  4. Ik teken een foto. (I draw a picture.)
  5. Ik schilder een landschap. (I paint a landscape.)
  6. Ik speel gitaar. (I play guitar.)
  7. Ik bezoek een museum. (I visit a museum.)
  8. Ik ga naar de bioscoop. (I go to the cinema.)
  9. Ik zie een film. (I watch a movie.)
  10. Ik luister naar een podcast. (I listen to a podcast.)
  11. Ik speel een spel. (I play a game.)
  12. Ik wandel in het bos. (I walk in the forest.)
  13. Ik fotografeer bloemen. (I photograph flowers.)
  14. Ik lees de krant. (I read the newspaper.)
  15. Ik schrijf in mijn dagboek. (I write in my diary.)
  16. Ik ontmoet vrienden. (I meet friends.)
  17. Ik drink koffie. (I drink coffee.)
  18. Ik rook niet. (I don’t smoke.)
  19. Ik speel met mijn hond. (I play with my dog.)
  20. Ik verzamel postzegels. (I collect stamps.)

Family & People (41-60)

  1. Ik heb een broer. (I have a brother.)
  2. Ik heb een zus. (I have a sister.)
  3. Mijn moeder kookt. (My mother cooks.)
  4. Mijn vader werkt. (My father works.)
  5. Mijn ouders reizen. (My parents travel.)
  6. Mijn oma leest. (My grandmother reads.)
  7. Mijn opa tuiniert. (My grandfather gardens.)
  8. Ik hou van mijn familie. (I love my family.)
  9. Ik bel mijn vriendin. (I call my girlfriend.)
  10. Ik zie mijn neef. (I see my cousin.)
  11. Ik woon met mijn vriend. (I live with my friend.)
  12. Ik heb een kat. (I have a cat.)
  13. Mijn hond blaft. (My dog barks.)
  14. Ik knuffel mijn huisdier. (I hug my pet.)
  15. Mijn buurman fietst. (My neighbor cycles.)
  16. Ik groet de leraar. (I greet the teacher.)
  17. Ik vraag iets aan mijn moeder. (I ask my mother something.)
  18. Ik lach met mijn vrienden. (I laugh with my friends.)
  19. Ik huil niet. (I don’t cry.)
  20. Ik waardeer mijn familie. (I appreciate my family.)

Weather & Nature (61-80)

  1. Het regent vandaag. (It rains today.)
  2. De zon schijnt. (The sun shines.)
  3. Het sneeuwt in de winter. (It snows in winter.)
  4. De wind waait. (The wind blows.)
  5. Ik zie een regenboog. (I see a rainbow.)
  6. De vogel zingt. (The bird sings.)
  7. De bloem bloeit. (The flower blooms.)
  8. De boom groeit. (The tree grows.)
  9. Het gras is groen. (The grass is green.)
  10. De lucht is blauw. (The sky is blue.)
  11. Ik hou van de lente. (I love spring.)
  12. Ik draag een jas in de herfst. (I wear a coat in autumn.)
  13. Ik zwem in de zomer. (I swim in summer.)
  14. Ik ski in de winter. (I ski in winter.)
  15. Ik geniet van de natuur. (I enjoy nature.)
  16. Ik pluk een bloem. (I pick a flower.)
  17. Ik voel de wind. (I feel the wind.)
  18. Ik hoor de vogels. (I hear the birds.)
  19. Ik ruik de bloemen. (I smell the flowers.)
  20. Ik kijk naar de maan. (I look at the moon.)

Places & Travel (81-100)

  1. Ik ga naar Amsterdam. (I go to Amsterdam.)
  2. Ik reis naar België. (I travel to Belgium.)
  3. Ik bezoek een restaurant. (I visit a restaurant.)
  4. Ik eet in een café. (I eat in a café.)
  5. Ik winkel in de stad. (I shop in the city.)
  6. Ik wacht op de bus. (I wait for the bus.)
  7. Ik neem de trein. (I take the train.)
  8. Ik rijd een auto. (I drive a car.)
  9. Ik vlieg naar Spanje. (I fly to Spain.)
  10. Ik verblijf in een hotel. (I stay in a hotel.)
  11. Ik zoek een straat. (I look for a street.)
  12. Ik bezoek een kerk. (I visit a church.)
  13. Ik ga naar de markt. (I go to the market.)
  14. Ik loop in het park. (I walk in the park.)
  15. Ik zie een monument. (I see a monument.)
  16. Ik fotografeer een gebouw. (I photograph a building.)
  17. Ik geniet van de reis. (I enjoy the trip.)
  18. Ik kom uit Nederland. (I come from the Netherlands.)
  19. Ik spreek Nederlands. (I speak Dutch.)
  20. Ik hou van Nederland. (I love the Netherlands.)