Skip to content
Daily Activities (1-20)
- Ik woon in Nederland. (I live in the Netherlands.)
- Ik werk in een kantoor. (I work in an office.)
- Ik eet brood. (I eat bread.)
- Ik drink water. (I drink water.)
- Ik ga naar school. (I go to school.)
- Ik lees een boek. (I read a book.)
- Ik schrijf een brief. (I write a letter.)
- Ik luister naar muziek. (I listen to music.)
- Ik kijk naar de televisie. (I watch TV.)
- Ik slaap acht uur. (I sleep eight hours.)
- Ik fiets naar het park. (I cycle to the park.)
- Ik koop een appel. (I buy an apple.)
- Ik kook eten. (I cook food.)
- Ik maak mijn bed. (I make my bed.)
- Ik was mijn handen. (I wash my hands.)
- Ik ren in het park. (I run in the park.)
- Ik zwem in het zwembad. (I swim in the pool.)
- Ik praat met mijn vriend. (I talk with my friend.)
- Ik help mijn moeder. (I help my mother.)
- Ik leer Nederlands. (I learn Dutch.)
Hobbies & Free Time (21-40)
- Ik speel voetbal. (I play football.)
- Ik zing een lied. (I sing a song.)
- Ik dans op muziek. (I dance to music.)
- Ik teken een foto. (I draw a picture.)
- Ik schilder een landschap. (I paint a landscape.)
- Ik speel gitaar. (I play guitar.)
- Ik bezoek een museum. (I visit a museum.)
- Ik ga naar de bioscoop. (I go to the cinema.)
- Ik zie een film. (I watch a movie.)
- Ik luister naar een podcast. (I listen to a podcast.)
- Ik speel een spel. (I play a game.)
- Ik wandel in het bos. (I walk in the forest.)
- Ik fotografeer bloemen. (I photograph flowers.)
- Ik lees de krant. (I read the newspaper.)
- Ik schrijf in mijn dagboek. (I write in my diary.)
- Ik ontmoet vrienden. (I meet friends.)
- Ik drink koffie. (I drink coffee.)
- Ik rook niet. (I don’t smoke.)
- Ik speel met mijn hond. (I play with my dog.)
- Ik verzamel postzegels. (I collect stamps.)
Family & People (41-60)
- Ik heb een broer. (I have a brother.)
- Ik heb een zus. (I have a sister.)
- Mijn moeder kookt. (My mother cooks.)
- Mijn vader werkt. (My father works.)
- Mijn ouders reizen. (My parents travel.)
- Mijn oma leest. (My grandmother reads.)
- Mijn opa tuiniert. (My grandfather gardens.)
- Ik hou van mijn familie. (I love my family.)
- Ik bel mijn vriendin. (I call my girlfriend.)
- Ik zie mijn neef. (I see my cousin.)
- Ik woon met mijn vriend. (I live with my friend.)
- Ik heb een kat. (I have a cat.)
- Mijn hond blaft. (My dog barks.)
- Ik knuffel mijn huisdier. (I hug my pet.)
- Mijn buurman fietst. (My neighbor cycles.)
- Ik groet de leraar. (I greet the teacher.)
- Ik vraag iets aan mijn moeder. (I ask my mother something.)
- Ik lach met mijn vrienden. (I laugh with my friends.)
- Ik huil niet. (I don’t cry.)
- Ik waardeer mijn familie. (I appreciate my family.)
Weather & Nature (61-80)
- Het regent vandaag. (It rains today.)
- De zon schijnt. (The sun shines.)
- Het sneeuwt in de winter. (It snows in winter.)
- De wind waait. (The wind blows.)
- Ik zie een regenboog. (I see a rainbow.)
- De vogel zingt. (The bird sings.)
- De bloem bloeit. (The flower blooms.)
- De boom groeit. (The tree grows.)
- Het gras is groen. (The grass is green.)
- De lucht is blauw. (The sky is blue.)
- Ik hou van de lente. (I love spring.)
- Ik draag een jas in de herfst. (I wear a coat in autumn.)
- Ik zwem in de zomer. (I swim in summer.)
- Ik ski in de winter. (I ski in winter.)
- Ik geniet van de natuur. (I enjoy nature.)
- Ik pluk een bloem. (I pick a flower.)
- Ik voel de wind. (I feel the wind.)
- Ik hoor de vogels. (I hear the birds.)
- Ik ruik de bloemen. (I smell the flowers.)
- Ik kijk naar de maan. (I look at the moon.)
Places & Travel (81-100)
- Ik ga naar Amsterdam. (I go to Amsterdam.)
- Ik reis naar België. (I travel to Belgium.)
- Ik bezoek een restaurant. (I visit a restaurant.)
- Ik eet in een café. (I eat in a café.)
- Ik winkel in de stad. (I shop in the city.)
- Ik wacht op de bus. (I wait for the bus.)
- Ik neem de trein. (I take the train.)
- Ik rijd een auto. (I drive a car.)
- Ik vlieg naar Spanje. (I fly to Spain.)
- Ik verblijf in een hotel. (I stay in a hotel.)
- Ik zoek een straat. (I look for a street.)
- Ik bezoek een kerk. (I visit a church.)
- Ik ga naar de markt. (I go to the market.)
- Ik loop in het park. (I walk in the park.)
- Ik zie een monument. (I see a monument.)
- Ik fotografeer een gebouw. (I photograph a building.)
- Ik geniet van de reis. (I enjoy the trip.)
- Ik kom uit Nederland. (I come from the Netherlands.)
- Ik spreek Nederlands. (I speak Dutch.)
- Ik hou van Nederland. (I love the Netherlands.)